Dodendraad 1915-1918

 

Samengevat uit een artikel van Guus Urlings in de Limburger van donderdag 26 juni 2014.

In 1915/1916 wordt de grens tussen België en het neutrale Nederland afgesloten met een elektrische versperring, die in de volksmond al snel ‘dodendraad’ gaat heten. De voorloper van het IJzeren Gordijn zal in de jaren daarna honderden slachtoffers eisen. 

De Duitse legerleiding heef al snel na de inval in België (4 augustus 1914) door: de grens met het neutrale Nederland is met de reguliere middelen niet onder controle te houden. Zoals een Duitse historicus later zal zeggen…Nach Holland war Tor und Tür geöffnet… De poort stond wagenwijd open. Een zwakke plek in de rug van het leger dat in een zware strijd verwikkeld is.

Tienduizenden vluchtelingen steken al in de eerste weken van augustus – aangezet door het Duitse leger dat zich op grote schaal te buiten gaat aan geweld, roof en brandstichting – de grens met het veilige Nederland over. Onder hen duizenden vluchtende militairen en vrijwilligers die vanuit bezet gebied via Nederland de weg terug naar het Belgische leger in Vlaanderen zoeken of vanuit Nederland sabotage – en verzetsacties op touw willen zetten. Allemaal extra tegenstand voor de Duitsers. Bovendien blijven de oude smokkelroutes druk in gebruik voor een bloeiende zwarte handel maar ook om mensen en gegevens naar en uit de bezette gebieden te transporteren. 

Kortom: er moest iets gebeuren. De deur moest dicht. Waar precies het idee geboren is om de grens met een elektrische afrastering hermetisch af te sluiten is niet duidelijk. Hoe dan ook, in april 1915 gaat de aanleg van de ‘dodendraad’ van start. Van Vaals tot aan het Zeeuwse Cadzand verrijst in de maanden daarna over een afstand van rum 330 kilometer een imposante omheining, een hekwerk van stroomdraden, gemiddeld een meter of twee hoog, met meestal aan weerszijden nog extra prikkeldraadversperringen. De eerste stukken worden al in juli onder stroom gezet. Eind 1915 is de “dodendraad’ grotendeels gereed. Enkele kleine stukken, zoals het grensgebied bij Molenbeersel en Stramproy moeten wachten tot begin 1916. Dan is België volledig ingekooid. 

Inmiddels heeft de draad dan al vele tientallen slachtoffers geëist. Vaak heeft dat, zeker in de begintijd, te maken met pure onwetendheid. Elektriciteit was een relatief nieuw fenomeen. In 19215 brandt slechts bij een procent of twaalf, dertien van de Nederlandse huishoudens een gloeilamp.  En dan nog vooral in de grote steden. Op het platte land – waar het grootste gedeelte van de “doden draad’ doorheen loopt- doen ze het nog met kaarsen en olielampen en kennen den electrischen stroom hooguit van horen zeggen. Die onwetendheid, het ontbreken van het besef dat een simpele aanraking met zo’n stroomdraad dodelijk kan zijn, wordt een aantal mensen fataal. 

Uit de Nieuwe Koerier van 19 augustus 1916:

Neeritter, zondagavond had nabij onze gemeente een droevig ongeval plaats. De landbouwer Leeters, wonende op Belgisch gebied op de pachthoeve Keijsershof, welke echter door electrischen draad van Belgie gescheiden is, ging aan de draadversperring achter zijn hoeve met familieleden spreken. Hij reikte een Duitse soldaat en boterham toe, waarbij hij een draad aanraakte, met gevolg, dat hij dood neerviel. Zijn dochter, die hem bevrijdde wilde, bekwam brandwonden, doch kon door den Duitscher met den isoleerstok gered worden. 

Voor het Duitse gezag in België zijn dergelijke incidenten aanleiding om de ‘dodendraad’ van waarschuwingsborden te voorzien : Achtung Hochspannung – Lebensgefahr. In de kranten aan de Nederlandse kant van de grens verschijnen uitlegverhalen over elektriciteit en waarschuwingen om vooral bij de draad uit de buurt te blijven.

Waarschuwingen die met de regelmaat van de klok in de wind worden geslagen. Vluchtelingen, Duitse deserteurs – die zijn er van meet af aan – en ontsnapte krijgsgevangenen, spionnen en smokkelaars … Allemaal blijven ze proberen de grens over te steken, soms stiekem in hun eentje of met zijn tweeën, mar ook wel met grote groepen tegelijk, waarbij zowel bewakers als vluchtelingen geweld niet schuwen.

Er staat nauwelijks maat op de methodes – de ene al vernuftiger dan de ander – die bedacht worden om de gevaren van de ‘dodendraad’ te omzeilen.

Dat varieert van het veroorzaken van kortsluiting tot het doorknippen van de stroomdraden met geïsoleerde tangen, van ladderconstructies tot “passeurramen”, houten raamwerken die tussen de stroomdraden worden geplaatst om een tijdelijke veilige doorgang te creëren.

Bovendien: de de Duitse grensbewakingstroepen bij de grensversperringen, doorgaans tweederangs eenheden, zijn niet altijd even fanatiek. Omkoperij – vrije doorgang in ruil voor geld of smokkelwaar – komt vaak voor. Duitse grenswachten die de oorlog beu zijn, sluiten zich soms bij de vluchtelingen (of smokkelaars)  aan en deserteren ter plekke.

 

Vluchtelingen in Ittervoort 1918

Hoe efficiënt is de ‘dodendraad’ eigenlijk geweest? Het exacte aantal slachtoffers – of door de stroomdraden geëlektrocuteerd of bij de poging te ontvluchten door grenswachten neergeschoten – dat de draad heeft geëist, is niet bekend. De Belgische historicus Prof. Alex Vanneste heeft zo’n 850 gevallen gedocumenteerd ( 50 procent Belgen, 25 procent Duitsers, 10 procent Nederlanders, 10 procent Russen), van wie bijna 300 langs de grens tussen Belgisch Limburg en Nederland. Maar het zijn er ongetwijfeld meer geweest. Veel gegevens zijn verloren gegaan. De grensstreek, zeker de directe omgeving van de draad, was verboden gebied, de pers werd streng gecensureerd, en de verslagen van de Duitse grensbewakingstroepen zijn na de oorlog bijna allemaal spoorloos verdwenen. Daar staat tegenover dat – volgens zeer voorzichtige schattingen – tussen de 20.000 en 30.000 Belgen en duizenden anderen erin geslaagd zijn de ‘dodendraad’ ongeschonden te passeren.

De telegraaf 26 oktober 1916.[1]

Roermond 25 oktober. Gistermorgen zijn twee jonge mannen uit Maaseik er in geslaagd met behulp van een dubbele ladder in de nabijheid van het grensdorp Stramproy over de elektrische draadversperring te komen. Een hunner had het ongeluk met zijn voet een der draden aan te raken waardoor de voet deerlijk verbrand werd. Toch gelukte het hem nog op Hollandsch gebied te komen.

 

 


[1]De kroetwes, jrg 22 nr 1, augustus 2014, blz 62.