Gerard Krekelberg, een en ander over de Heikantj

Gerard Krekelberg (Neeritter 13 juni 1864 Vlodrop 27 november 1937) geniet bekendheid als schrijver van de tekst van het Limburgs volkslied. Hij is wellicht de beroemdste inwoner van Neeritter.

Krekelberg werd in 1883 toegelaten als onderwijzer. Na eerste ervaringen in Swalmen verliet hij het onderwijs om zich in Roermond aan de fabricage van dekkleden te wijden. Naderhand keerde hij echter weer terug in het onderwijs, deze keer in Vlodrop. Hij woonde onder meer in Maasbracht en Roermond. Op 4 juni 1895 te Roermond huwde Gerard Krekelberg met Francisca Thissen.

Henri Tijssen, dirigent van het Roermonds Mannenkoor, voerde in januari 1909 het Limburgs volkslied voor het eerst uit ter gelegenheid van de oprichting van de “Vereniging ter bevordering van de volkszang in Limburg”. Hij had aan Krekelberg gevraagd om een tekst te schrijven op de door Tijssen gecomponeerde muziek. De tekst was aanvankelijk bedoeld als een ode aan Limburg. Het lied heette aanvankelijk “Limburg, mijn vaderland”. Toen het in 1939 officieel tot Limburgs volkslied werd verklaard, werd de titel gewijzigd in “Waar in ’t bronsgroen eikenhout”.

Krekelberg schreef in zijn jongen jaren al over dialect en gebruiken in zijn geboorte streek. In de Maasgouw, tijdschrift van het geschied en oudheidkundig genootschap in Limburg, jaargang 1892 en 1893, werden stukjes gepubliceerd onder de naam: Een en ander over de Heikantj. Hierin probeert Krekelberg al in het plaatselijke dialect te schrijven. Grappig te zien dat hij vooral de Franse taal als referentie gebruikt om de klanken te duiden. Hieronder een samenvatting uit de publicaties:

Een en ander over de Heikantj.

Aan den linkeroever van de Maas in Limburg wonen zoo ieder weet, de zogenaamde Heikentjers, terwijl de rechteroever van de Maas de bakermat is der Maaskentjers. Dit is ieder lezer van de Maasgouw duidelijk. Dat was al zoo wie Euver-teuvere groeatvader naog laefdje. De oorsprong dier twee volksbenamingen ligt voordehand: Heikentjer is hij, die geboren is en zijn verblijf heeft of woont aan de kantj vàn ne hei, meer bepaald in des heidestrook, terwijl de Maaskentjer in de omgeving of bij de oevers van de Maas zetelt. Het grootste en mijns inziens het meest oorspronkelijke gebied der Heikentjers is evenwel in onze provincie de Limburgse achterhoek, grenzend aan Noord-Brabant en België. Het is mijne bedoeling niet eene aardrijkskundige vergelijking te maken tusschen die twee streken, door hare bodems of de industrie te beschrijven. Dat zou mosterd nao ’t ète of viege nao Paosche zijn, want ieder schoolkind van 12 jaar heeft dat reeds op zijn duimpje geleerd. Maar wijl den Heikantj min of meer rijk is aan eene wetenschap, algemeen bekend onder den naam van, ‘Folklore’, wilde ik eene bescheiden poging wagen om den lezers van de Maasgouw een en ander over volksbegrippen, zeden, gewoonten, gebruiken, taal enz. enz. in deze streken mede te deelen. Ik doe ’t enkel in ’t belang der studie over ’t verleden van ons gewest, (mijne woonstede ligt vrij wel in ’t hartje van den Heikantj). De Heikentjer (deze benaming wordt door velen, en wel ten onrechte, voor een spotnaam of scheldwoord gehouden) telt onder zijne landgenooten de meeste bedaarde, eenvoudige, vrome oudjes. De meeste grijsaards uit deze gewesten zijn nog van ’t zuiverste voorvaderlijke allooi, menschen vàn deze echten ouden stempel. Men bewaart er zijne moedertaal als een heiligdom, schaamt het zich Hollandsch of iets anders te spreken en noemt het zelfs een schande, wanneer iemand door lange afwezigheid uit zijne geboorteplaats het accent en de klanken zijner moedertaal heeft gewijzigd, en daardoor min of meer afbreuk doet aan het oorspronkelijke dialect. Dat verguizen der moedertaal komt menigeen-duur te staan. Wie zich daaraan bezondigt is vaak het voorwerp van algemeene spotternij en onder het kouten over dai[1] bedorve Driek of die geit van ’n ‘Guëtruui heet het dan: Hai (zieë) is zien (heur)[2] Heikentjersch (zoo heet de taal) vergète[3], of nog al gruwelijker: Hai (zieë) kintj zien (heur) moorstaal (moedertaal) al neet miè (meer). De geachte lezer kan zich mogelijk slecht voorstellen hoe zoo iets den aoje vader ergert.

Laat ik daarom dat principe van hoogschatting der moorstaal met een ware gebeurtenis nader duidelijk maken. In herfstmaand October 18– bevond schrijver zich na een uitstapje in een  Na over en  weer alle mogelijke bijzonderheden en nieuwtjes sedert ’t weg zijn, te hebben aangehaald (wat aanvankelijk schijnbaar zeer in den smaak viel der huisgenooten) en waartusschen aan den mond der meisjes af en toe al een spasz of een gehabt luidruchtig ontviel, hernam de  dochter opeens op vroolijken toon: Sa Filemien wets te naog, ich verjaet ’t jao noat miè. Der Jucks mit Breyellsche kirmis’. ‘Och joa’ antwoordde Filemien dat is ouch waor! Materdeies, wies toe doa mit der Jooahan….(Mater Deus toen jij daar met Johan….) Nu kon ’t de moeder echter niet langer meer verdragen. Ze liet den draad aan de spool (het spinnerwiel) plotseling vallen, en zei op heftigen toon: gae verdöldje geiten van vroulje mèt eure Johan, sjaam djer (gij) uch (u) den neet! Kondjer eur moorstaal al neet miè? Es djer nog ins de moel (mond) ope doot (doet) van ….’ en meteen ruischte een regen van aardappels (want Vader en Tentje (tante) zaten te schillen en hadden voor moeder partij gekozen) door het vunze luchtruim en kletterden tegen wanden en kasten. Zoodat ik ’t raadzaam achtte mij aan dat vreemdsoortig bombardement te onttrekken. Deze parenthesis moge ook nog een bewijs zijn dat de ouden van dagen van hunne kinderen toch iets goeds willen maken, of althans niet in verkeerdheden of nietige en beuzelachtige dingen opvoeden.

Gastvrij, maar tegelijk nieuwsgierig is de ouwe, goede Heikentjer ook. Nooit zal hij een bezoeker, wiens houding, kleding en uiterlijk maar eenigszins door den beugel kunnen verwijzen, zonder het traditioneele Zètj uch (zet u), of vingk djur neet ins aan!? (d.i. wilt ge niet eens ene snip opsteken) te hebben geuit. En waarlijk lezer, ge kunt het oudje geen grooter plezier doen, als met hem nog eens, oet de blaós [4] te stoppen, waarna U door groatje (grootmoeder), dochter of zoon des huizes vuur wordt aangeboden. De oude huisbaas toont dan zijne tevredenheid daarover door dapper met U mee te blazen uit zijn airde stumpke (elders een moetsjke d. i. aarden stukje pijp) welks korte steeltje meestal (dit hangt af van den ouderdom des tanden en het al of niet hebben van tanden) aan de punt omdraait is met een dikken draad garen. Zwavelstokken zijn er zeer weinig in gebruik, ten minste om aan te vinke zelden of nooit. Rechts of links van de haard hangt een houten, meest vierkante doos aan den wand (liefst in de meestal met teer bestreken nis, waar de kachelpijp in den schoorsteen komt) onder het onder het sjouwklèdje (schoorsteenmanteltje) iets wat daar in geen enkel huis ontbreekt. In de doos liggen of steken dunne houten repen, door grootvader om de acht dagen te snijden van een groot stuk hout. Dit stuk hout (in het dialect gewoonlijk sprinkel, remmel of knöppel[5] geheeten, weet hij zodanig te besnipperen, dat het allengs de vorm van een dorschvlegelknuppel of van eene strieker (een rond houtje waarmede de gevulde korenmaat op zolder of schuur wordt afgestreken) krijgt, hij heeft daarmede eene zekere behendigheid. Vooreerst wordt het broodmes op eene der houten van zolder of keldertrap goed scherp gemaakt. Daarna neemt hij het bewuste stuk hout, zet zich op zijne stoel (want vader of grootvader hebben gewoonlijk een stoep à part) en steekt het hout onder de linker knie door, zoodat hij met de linkerhand tegen dien knie steunt. Dan neemt het snuppe snieë een aanvang , waarbij hij het mes met den rug zich toe in de rechterhand neemt en vervolgens onophoudelijk lange streken van zich afsnijdt. Dan houdt hij met snuppe snieë (elders flumpe snieë) op. De kinderen zijn bij die periodieke fabrikatie van snuppe steeds tegenwoordig en rapen ze, op de knieën gezeten, bij mekaar. Ze worden daarna op den haard te drogen gelegd (die snuppe natuurlijk) om vervolgens in de genoemde doos haar verblijf te nemen en tot aanmake gebruikt te worden.

Komt een goed gezien kennis of een biëste koupman (een veehandelaar) om het uur van koffiedrinken over den vloer dan zal hij eveneens bon gré malgré ei köpke moeten mee doen (een kop koffie meedrinken). Of vraagt een vreemdeling dan, door de heidestreken soms geheimzinnigen en moeilijk te vinden weg, dan kan hij er vast op rekenen, dat een gids van het erf hem op ’t veilige pad zal terecht brengen. Zelfs stelt de Heikantjer vaak zijnen sjob (meestal eene kleine, met pannen overdekte bergplaats van takkebossen enz. achter schuur of stal) disponibel voor onbekende lanterfanten, die medelijden weten op te welken bij den baas of de vrouw des huizes door op jammerende wijze en met klagenden toon om nachtlogies te verzoeken. En als zulken zwervers des ochtends tot ontbijt nog een paar gooi sneeje (een paar dikke sneden brood) op reis wordt medegegeven, zijn de goede, brave lui in de stellige meening te hebben welgedaan.

Eigenaardig is het, dat de bewoners van enkele streken en de inwoners van verschillende om elkander liggende dorpen of parochies wel eens bijzondere namen dragen. Meestal zijn dat spotnamen. Zoo o.a. worden de inwoners van het dorpje Neeritter door de omliggende gemeenten spottenderwijze genoemd : Ittersche Heiësche (Heidensche), terwijl die van de dorpen Kessenich, Stramproy, Kinroy, successievelijk voor  Kaissinger Beekvegers, Kaissinger Rabbedabbe, Kaissinger Erwtepöt of Kaissinger Ertesjieters, Rooier Zaotmale en Kindersche Mailbujele werden uitgescholden. Deze benamingen, die de inwoners meestal in een bespottelijk daglicht moesten stellen, dankten haar ontstaan of aan eene historische gebeurtenis, of aan de een of andere primitieve volksvertelling, wijl die overleveringen, als ik ze zoo eens noemen mag, vaak zonderling en boertig klinken.Vo lgens opgave van een oudje moet het al heel lang  geleden zijn, dat er op het kasteel ‘Kessenich’,thans bewoont door den Baron Michiels van Kessenich, eene Madame de Laiger (of Delèger) gewoond heeft. Die dame had de gewoonte om voor haar werkvolk (bestaande uit inwoners van Kessenich en Neeritter) nagenoeg het gansche jaar door erwten voor hun middagmaal te laten koken. Naar luid dierzelfde verhalen deden zich bijzonder de inwoners van Kessenich daaraan te goed, terwijl die van Neeritter op den duur niet happig naar dat eentonige kostje meer waren en het de Kessenicher arbeidslui zelfs kwalijk namen, dat men daarover niet gezamenlijk reclameerde. Het liep er dientengevolge ook op uit, dat bij een of ander verschil of woordenwisseling de kwestieuze, hartstochtelijke erwteslikkers werden uitgescholden voor Kaissinger Ertepöt en soms nog erger: het minder lieflijke Kaissinger Ertesjieters naar het hoofd werd geslingerd. Zoo ontstond die volksbenaming die alleen nog in den mond der kinderen is blijven voortleven.

Uit den mond der ièste bokse (dwz de eerste broeken of jongens van 12 tot 16 jaren) hoorde men voorheen de spotnamen zeer vaak. Dit was dan een ernstig schelden. Ontmoetten (om maar eens een voorbeeld te geven) een troep  jongens uit Kaising eenige uit Itter, dan ging men eerst zwijgend, maar tevens wantrouwend elkaar voorbij. Eindelijk, op een afstand van een honderd meter gekomen, klonk het uit de verte, wat de keek maar halen kon:

Kaissinger Tabbedabbe,

Die kõmme[6] omme knabbe,

Die kõmme zoa[7] wied[8]

Al oppen Itterschen diek[9].

Zie sjèrre[10] pedde[11] oet te sliek[12].

 

Zie sjerre ze op ei sjuttelke[13].

Zie ète zo sõnges[14] butterke[15],

Zie sjerre õngere[16] asse

Zie ète ze sõnges te wasse !

 

ook al:

Kaissinger Tabbedabbe,

Die hange aanne[17] knabbe

Die hange aanne wolken

Ter[18] duvel heet heur[19] gemolke !

 

Waarop als antwoord van de tegenpartij in volle koor een tiental malen achter elkaar volgde: Ittersche Hiësche! Nu en dan afgewisseld door eene lttersche Kuze. (het woord kuus moes beduiden een verschrikkelijk lomp, onbeschaafd  stuk mensch.) Soms gaf een dergelijk oetmake (schelden) aanleiding tot hevige vechtpartijen waarbij dan allerhande mogelijke en onmogelijke ingrediënten voor wapens moesten dienen. Veelal werd bij zulke plechtigheid met eine klomp op tien moel gehouwjd (met een klomp op je gezicht geslagen) of tegen dien sjeene geschöptj (tegen jou schenen geschopt). Ook deden de vuisten dan goede dienst, vooral bij de sterksten, de grootsten of de-zoogenaamde kneukels (sterken). Dat duurde zoolang, tot een der partijen door de overmacht tot wijken gebracht, de plaat poetste, waarna uit de verte dan nog eens de reeds bekende scheldverzen weergalmden, en als teeken van wapenstilstand zij, die aan neus, ooren of mond eene bloede wonde hadden opgeloopen, gezamenlijk bij een welke(een vliet) de bloedvlekken van de wangen, kleeren enz. zaten af te wasschen. Onder ’t naar huis gaan en nadien werd dan nog gesproken over de wonderen van dapperheid, door dezen of genen bij de ruzing (ruzie) aan den dag gelegd, terwijl dan, een of andere held nog eens hartelijk herhaalde hoe hard hij hem haai genootj (hoe hard hij hem had geslagen). Gelukkige maar behooren deze staaltjes tot de geschiedenis. De heidensche verstandhouding is van lieverlede in matige vriendschap overgegaan.

Niet minder eigenaardig is het de hier door het volk gevormde spreekwoorden en zegswiizen na te gaan die nog steeds ten huidigen dage van kracht zijn, hetzij ter bevestiging van of ander feit, hetzij ter aanduiding eener algemeen bekende handeling of ter herhaling eener ouderwetsche zinspreuk van dezen of genen populairen landsman. Die gezegden zijn meest alle lokaal. Als men n. l. in deze streken hoort gebruiken de uitdrukking bóng zag böltj (Bon, goed zei bult) dan geeft de spreker zijne tevredenheid of zijne toestemming in een zeker voorstel te kennen, of ’t is gewoon weg eene bevestiging. Het schijnt wel dat er een bultenaar geleefd heeft, wiens zegswijzen gaarne door ’t volk gehoord  en weergegeven werden en die daardoor van authentieke waarde zijn gebleven. Twee bejaarde mannekes hoorde ik eens in den vorm van een gezondheidstoast bíj ’t klinken hunne glazen zeggen: A vous, zag Vlecke. Het is buiten kijf dat er een Vlecken bestaan heeft, die, vóór hij ’t drinkglas aan zijn mond bracht, tot het gezelschap den korten toast ”A vous !” richtte.

Verder gebruikt men hier algemeen de volgende spreekwijzen en gezegden, die elders misschien niet of althans niet zoo zeer het burgerrecht hebben verkregen. Hoofdzakelijk de meest eigenaardige, in den Heikantj geijkte zullen we trachten op te zoeken. 

1. Hai heet ein moel (mond) wie ein sjöp (schop). (d.w.z. hij kan praten als Brugman.)

2. Mie wiefke is ei vroumes (vrouw) wie eine Kertuzer. (d.w.z. Mijn vrouwtje is sterk, gehard, kan overal tegen; spottenderwijze ook gebezigd voor een groote, zware of dikke vrouw.)

3. Hai is ter duvel te slum aaf. (Hij is bij de hand, slim.

4. Dai kan vrète wie einen heimeijer. (heidemaaier) (d.w.z. hij kan bijzonder veeI eten.)

5. Hai-of zie huertj de peerike inne grondj neeste. (letterlijk: hij of zij hoort de pieren in den grond niesten, d w.z. hij of zlj is erg gierig, niet goed geefsch.)

6. Hai wètj van toet of blaos. (wètj : weet) (d.w.z. hij weet van toeten of blazen, weet er niets af.)

7. Hai is zoa mager es broed. (d.w.z. Hij is buitengewoon mager.)

8. Hai liètj zich de kiès neet vanne bötterham numme, (d.w.z. Hij laat zich zoo licht nog niet om den tuin leiden.)

9. Det is mich ein fõtskõntj, (d. i. luie slordige vrouw.)

10. Hai is eine giftsjieter,(d, i, Hij kan zich bijzonder kwaad maken; ook : hij is kort aangeknoopt.)

11. Hai heet ei veulke nève zich loupe detter neet zuut, (d. i. hij beeldt zich veel in, is trots.)

12. Hai is eine windjbujel, (d. i, hij is hoovaardig.)

13. Det is einen tuitel van ei vroumes, (d. i. zij kan zich gek, wild aanstellen.)

14. Hai is get benauwjd (d. i. hij is gierig, houdt ze vast.)

15. Hai zooi zich de kontj afloupe, (d.i. hij is gedurig aan het loupe, druk in de weer voor een of ander doeleind.)

16. Hai heet hanekute, (d. i. iemand met erg dunne beenen.)

17. Det is ei maônkaôf, (d. i. een manspersoon, die zich overlustig, soms kinderachtig voordoet.)

18. Doe bes ein sajelbõks, (d. i. jij praat te lang.)

19. Doe bes eine gelökkigen hàriaôn (d. i. het valt je overal mee.)

20. Hai zal mich gein oare aannejje. (d. i. hij zal me niet foppen.)

21. Hai heet ei gek paird gereje. (d. i. heeft een lompe streek uitgehaald.)

22. Ich zel dich get neeste.

23. Ich zel dich get raoste. (beide beduiden: je zult mij niet foppen.)

24. Hai is aan zie gaat gebrandj (d.i. hij zit er mee te kijken; van iemand die zich iets ongunstigs op den hals heeft gehaald.)

25. Hai is oet de hël gekrope. (d. i. je zult hem geen appelen voor citroenen verkoopen, of: is sterk voor zijn eigenbelang.)

26. Hai gaaf hum ketoene ! (deze uitdrukking wordt vaak gebezigd, en niet altijd in den zelfden zin, b.v. van iemand die hard werkt; van een paard b.v. dat hard loopt ; van iemand, die in de kerk met forsche stem voorzingt; van iemand, die zijn tegenstander een flink pak slaag geeft.)

27. Hai heet zien erten oet. (d. i. heeft niets meer in te brengen.)

28. Hai is ein kaartmoor, (van iemand, die dol is op ’t kaartspel.)

29. Det is eine woof, dai. (van iem. die vroeg en laat slafelijk werkt.)

30. Dai is goochem (d. i. hij is slim genoeg.)

31. Dai is einen tulme (d.i. hij is een lomp mensch.)

32. Dai is ein netenoar (d. i. niet gauw_tevreden.)

33. Dai is eine prieker (van iemand die erg voorzichtig, beter gezegd, min of meer antrouwend is.)

34. Det is mich einen delle (meestal van een ruw, onverschillig meisje.)

35. Hai is eine papzak. (een kort, dik mensch.)

36. Hai is ei mooshuid. (ronde krop, wit moes of rode kool; van iemand die ’t tegengestelde van geestig is.)

37. Het wair is naõg te slecht veur eine Neerwièrter. (d.i. het is een gemeen slecht weer.)

38. Hai is eine kraõwaõk (van iemand die nooit gerust of stil kan zijn.)

39. Dao vaeg ich mien….aan aaf. (ik trek er mij niets van aan, geef daar niets om of heb er niets mee te maken.)

40. De baisem oetstèke, (d.i. er van leven, als ded vrouw niet thuis is.)

41. Hai heet ziene klièzaõd verkocht (d.i. hij is te biechte geweest.)

42. Mun maag geine vinger in d’asse stèke of mun brandj zich (d.i. men moet de gevaren niet beminnen.)

43. Deze nacht heet ’t gebakke, (d.i. heet ’t hard gevroren.)

44. Hai is vertrocht met bētt en böltj, (hij is verytrokken met zak en pak.)

45. De kooste stèken hum. (van iemand, die de weelde niet dragen kan.)

46. Dao zooi einen hõndj gei braod naō  vrète, (dat zou niemand voor zich zelf wensen.)

47. Op ei bein kan men neet loupe. (d.i. men neemt doorgaans een tweede glaasje voor men de gelagkamer verlaat.)

48. Haí is aanne kōmgauw, (d.i. hij is aan den stoelgang (diarrhee).)

49. De köster heet deenstboje, (d.i. de koster luidt vandaag te laat de middag- of avondklok.)

50. Het waas heije wie nejje, (d.i. het scheelde niet veel.)

51. Het sjildje mer ein hanepinke (d.i. als 50.)

52. Mèt Driekeuninge zeen de daag eine hanesjrei gelingdj. (d i. Op Driekoningen dag begint men te merken dat de dagen langer worden.)

53. Noe geiet veur ’n hest. (Deze zegswijze wordt gebezigd bij kaart of beugelspel, wanneer beide partijen een spel gewonnen hebben en men dan ten derde male speelt wie wint of verliest.)

54. Ich kan dur licht bie ligke, zag Driek, en hai aat zich de pens vol bōttermèlk. (d.i. wordt gebezigd als men iets zonder zorg doet, en men er de kwade gevolgen niet van inziet.)

55. Pestaor duit gein twiè mésse veur ei geldj. (men zegt iets niet twee maal om zich te laten foppen.)

56. Oos Leeven Hièr heet van allerlei kostgengers.

57. O.L.H. heet van allerIei zek, woa der zie brood in stiktj. (beide beteekenen: Er zijn allerhande slag van menschen op de wereld.)

58. Zoa zinge ze neet, es ze van Kaivelièr komme. (d.i. dat neem ik zo niet aan, dat gaat zoo niet op.) 

59. Dao waas eine gooie burgemeister aan. (d.i. die man is zwaarlijvig.)

60. Hai is gein piep toebak waird. (d.i. hij deugt nergens toe.)

61. Hai heet niks in te bringe es leeg breefkes. (hij heeft er biets te zeggen.)

62. Pestaor zaingelt zich zelf ’t ièst, (d.i. van iemand die zich eerst zijn recht of aandeel ergens van neemt.)

63. Hai mōt pot bekinne, (d.i. hij moet meedoen en bevestigen.)

64. De sóp is van Heitesse, (d.i. de soep is erg warm.)

65. Hai is zoa sIum es ’t hout vanne galg.

66. Van Pius(?) naō Pilatus (d. i. van den eenen kant naar den anderen.)

67. Hai kaltj Fransch mèt haor op. (d.i. hij kent niets van den fransche taal.)

68. Ich höb mèt N…. gein kinjer. (d.i. van iemand waarmede men niets heeft uitstaan.)

69. Hai heet de luppe op zie waimeske hange. (d.i. hij maakt zure gezichten.)

70. Het doortj mer ne keese tied. (d.i. het is van zeer korte duur.) 

De meeste dezer genoemde zegswijzen (het aantal is echter nog lang niet compleet) zijn meer algemeen in gebruik bij de minder beschaafde volksklasse. Aan liefklinkende gezegden is in deze klasse zeer stiefmoederlijk bedeeld. Waar zouden zij ze ook vandaan halen? In de almanakken, die hun povere huisjes meestal de Mentor en de lectuur is, staan ze niet; en de oudere nemen helaas hunne kinderen maar al te vroeg van school af. Als de jongens de leeftijd van 12 jaar hebben bereikt, promoveren zij als Koejong of sjieper (d.i. koe- of schaapherder) en de meisjes moeten maar õngere kuuj (onder het vee).

 

 

 

 


[1]Ai uit te spreken als de fransche ai in “pain”.

[2] Uit te spreken als de eu in “beurre”.

[3] De è uit te spreken als de è in “père”.

[4] Eene blaos (de letters ao ui te spreken als de o in het Fransche ‘corps’) is een tabakszak, gemaakt van eenen gezuiverde, goed gedroogde en gewreven varkensblaas.

[5] De ö uit te spreken als de duitsche ö.

[6] Kõmme is komen,  õmme is om de. Knabbe is spaanderhout.

[7]Oa in zoa klint ongeveer als de oi in moins (echte zonder neusklank).

[8] Wied is wijd.

[9] Diek is dijk.

[10] Sjerre is bij melkaar doen. Zoo zegt men louver sjerre ; dit loof bijeen harken.

[11] Pedde zijn padden.

[12] Sliek is slijk.

[13] Sjuttelke is een schoteltje.

[14] Sõnges is zonder.

[15] Butterke is boter.

[16] Õnger is onder de.

[17] Aanne is aan de

[18] Ter is het lidwoord de.

[19] De eu klinkt als de eu in beurre.