Familie Curvers | Theodora Johanna Maria Curvers 1920-2010
201
page-template-default,page,page-id-201,page-child,parent-pageid-11,qode-social-login-1.0,qode-restaurant-1.0,ajax_fade,page_not_loaded,,select-theme-ver-4.1,wpb-js-composer js-comp-ver-5.2,vc_responsive
 

Theodora Johanna Maria Curvers 1920-2010

Theodora Johanna Maria (Doortje) Curvers (VIIIe 5), geboren te Hunsel op 18 februari 1920, overleden te Stramproy 22 juni 2010. (Dochter van Leonardus Curvers (VIIIe) en Anna Maria Henderickx) Trouwt (Burgerlijke Stand) op 28 juli 1939 met Matheus Hendrikus Antonius (Tjeu) Peeters (24 februari 1914 – 8 juli 1994). Uit dit huwelijk zijn zes kinderen geboren.

Het echtpaar Peeters-Curvers

Tjeu Peeters meldt zich in 1937 voor dienst in het Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger [1]omdat er in Nederland onvoldoende werk te vinden is. In eerste instantie voor een periode van vijf jaren en bij gebleken geschiktheid krijgt hij een uitzendpremie van 100 gulden. (Bij een maandsoldij van 204 gulden per maand is dit een behoorlijk bedrag.) Onder legernummer 141424000 wordt Tjeu op 13 oktober 1937 ingescheept op m.s. “Christiaan Huygens” om precies een maand later te Tandjong Priok als rekruut geplaatst te worden bij het Depot Bataljon te Bandoeng. Aan de kaderschool van Magelang volgt Tjeu in 1939 de opleiding tot brigadier en later (1941) tot fourier.

 

In 1939 reist Door Curvers hem achterna. Na eerst in Nederland wettelijk in de echt te zijn verbonden (een zgn. huwelijk met de handschoen) geven ze elkaar op 26 september het ja-woord in Malang op Java, een dag na de aankomst van Door. Een  jaar later, op 20 oktober 1940, wordt in Malang hun eerste kind, Marianne geboren. Maar donkere wolken werpen een schaduw over het geluk van het prille gezin.

 

De spanningen in de Oost zijn inmiddels hoog opgelopen, Japan is al enige tijd in oorlog met China en op 7 december 1941 vallen de Japanners Pearl Harbour aan waarmee de Verenigde Staten direct betrokken raken bij WO II.  Op 8 december 1941 verklaart Nederland de oorlog aan Japan. In de nacht van 10 op 11 januari 1942 vallen de Japanners Menado op Celebes aan.

 

Omstreeks dezelfde tijd bedreigen zij ook Tarankan op noordoost Borneo, een centrum voor de productie en distributie van olie, een belangrijke grondstof voor de Japanners. Op 27 februari wordt de geallieerde vloot verslagen tijdens de slag in de Javazee en van 28 februari tot 1 maart 1942 landen de Japanse troepen vrijwel ongestoord op vier plaatsen langs de noordkust van Java. Op 8 maart geven de geallieerde troepen in Nederlands-Indië zich over en worden de krijgsgevangenen naar kampen gezonden. Tjeu Peeters is een van hen. Hij wordt gevangen genomen in Semarang en wordt op 11 maart naar Purwokerto (midden Java) gebracht. Een aanzienlijk deel van de krijgsgevangenen wordt in werkkampen in de Archipel te werk gesteld. Tjeu komt in eerste instantie terecht Tjilatjap (nu Cilacap; midden-Java). De leefomstandigheden in de meeste kampen zijn zeer zwaar. Berucht is daarbij het optreden van de Japanse militaire politie (Kempeitai). De kampleiding laat zich gelden door wreedheid en onverschilligheid in de behandeling van gevangenen. De krijgsgevangenen worden vaak weer op transport werden gesteld naar nieuwe werkkampen (de zogenaamde “dodenmarsen”). Ook Tjeu wordt op meerdere plaatsen tewerkgesteld. Het langst op Palembang (zuid Sumatra), van 1943 tot 1945, waar hij moet werken aan het herstel van het vliegveld dat in 1942 gebombardeerd is door de Japanners. Als laatste komt hij terecht in Singapore waar hij eerst weer aan een vliegveld en later aan een tunnel tewerk gesteld wordt.

 

De Japanners laten de Indonesische vrijheidsstrijders vrij. Europese burgers worden opgesloten in Jappenkampen [2] en Indonesische en Japanse burgers worden op strategische posten geplaatst. Door Peeters-Curvers moet Kerst 1942 samen met dochter Marianne ook een Jappenkamp in; ze komen terecht in Ambarawa [3], kamp 6, barak 9. De gevangenen worden over het algemeen slecht behandeld. Er is vaak weinig eten beschikbaar en men moet hard werken in de kampen. Overtreders van de regels kunnen vaak rekenen op strenge straffen of martelingen. Het zijn jaren van honger en angst. Van angst en honger.

 

Japan capituleert op 15 augustus 1945. Op 18 augustus 1945 wordt Tjeu bevrijd uit Changi jail te Singapore[4]. Door en Marianne komen pas half december 1945 vrij. Ze overleven alle drie de verschrikkingen van de kampen en gelukkig vinden ze elkaar weer in Singapore. Om gezondheidsredenen keren Door en Marianne in mei 1946 per boot terug naar Nederland. Van de ontvangst in Santfort zijn nog een paar foto’s bewaard gebleven. De vrijgelaten soldaten, waaronder Tjeu Peeters, mogen nog niet naar huis. Zij moeten blijven om het herstel van het Nederlandse gezag te ondersteunen. Tjeu wordt per direct ingedeeld bij het detachement Militaire Politie, Wilhelminakamp in Singapore. 

Door Peeters-Curvers wordt bij haar terugkomst in 1946 verwelkomt in Santfort

Als Door en Marianne weer voldoende aangesterkt en gezond zijn keren ze in januari 1947 terug naar de Nederlands Indië, naar Bandoeng (West Java). De spanningen zijn er echter nog niet verdwenen.

 

Met de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 ontstaat een machtsvacuüm in Nederlands-Indië. Nederland is niet in staat om direct troepen te sturen en de Britten doen dit pas na enkele weken. Op 17 augustus 1945 stichten Soekarno en Mohammed Hatta de Republiek Indonesië. Nederland erkent deze niet. Indonesische strijdgroepen, pemoeda’s, grijpen hun kans om de onafhankelijkheid van Indonesië met geweld te verdedigen en de macht over te nemen. Geweld, plunderingen en moord overheersen. In de Nederlandse geschiedenis staat dit bekend als de Bersiap-periode (Bersiap = Weest paraat!). Het geweld en de impact van de Bersiap verschilt overigens sterk van plaats tot plaats. Hoeveel slachtoffers in de Bersiap van de eerste maanden na de onafhankelijkheidsverklaring en de daaropvolgende jaren van revolutie zijn gevallen, is onmogelijk aan te geven. Schattingen van 1947 gaan uit van 3.500 Nederlanders, meest van gemengde afkomst, die vermoord werden. Dr L. de Jong [5] achtte deze schatting te laag.

 

In april 1948 mag Tjeu met zgn. recuperatieverlof naar Nederland. Hij is dan inmiddels bevorderd tot “sergeant-majoor administrateur der infanterie”. Op 19 mei 1948 zet het gezin Peeters-Curvers, dat inmiddels uitgebreid is met de in januari geboren Liedje, weer voet op Nederlandse (Amsterdam) bodem. Tjeu moet echter weer snel terug vanwege de onrustige situatie in de Oost. Met ms Johan van Olde Barneveld vertrekt hij op 24 september weer vanuit de haven van Amsterdam. In januari 1949 volgt het gezin naar Semarang, midden Java. Ook deze reis wordt gemaakt met de Johan van Olde Barneveld en duurt zo’n vier weken. Tijdens deze reis wordt Liedje ernstig ziek. Er heersen allerlei ziektes, rode hond, kinkhoest en Italiaanse griep. Liedje houdt er een hersenvliesontsteking aan over en wordt nooit meer de oude.

 

Eenmaal gearriveerd is huisvesting in eerste instantie een probleem. Pas na een paar maanden hebben ze er definitieve plek in Semarang. Op 9 december dat jaar wordt Ton geboren.Dochter Marianne herinnert zich: “Het was een vreselijk angstige tijd waarin kinderen niet meer naar school mochten of naar de tandarts of dokter of zo….  “.

 

De KNIL militairen worden snel weer ingezet in de strijd tegen de nieuwe republiek tijdens de politionele acties [6]. Door deze acties krijgt Nederland kritiek van de Verenigde Naties en later ook van de Verenigde Staten. De VS dreigen dat ze de economische hulp, die Nederland krijgt voor de wederopbouw en het omhoog brengen van de welvaart (Marshallhulp), zal intrekken. Hierdoor gedwongen onderhandelt Nederland langdurig en gaat uiteindelijk op 27 december 1949 over tot erkenning van de Republiek en dus de onafhankelijkheid van Indonesië.

 

Bij beschikking van 1 juli 1950 (nr 045754) opgesteld namens de commandant van de Nederlandse Legerstrijdkrachten in Indonesië wordt Tjeu op grond van “ …de regeling betreffende de onder Nederlands bevel staande landstrijdkrachten in Indonesië na de Soevereiniteitsoverdracht…” opgedragen zich, op nader te bepalen tijdstip, te melden bij het KNIL-centrum in Nijmegen. Volgens de nadere bepalingen heeft het hele gezin recht op een vrije overtocht naar Nederland.

 

Onder aan deze beschikking is nog toegevoegd: ”Betrokkene is door de commissie Sjoerdsma in aanmerking gebracht om in Nederland over te gaan naar de KL” (Koninklijke Landmacht). Op 1 december verlaat het gezin Peeters Curvers Indonesië met ms MALOJA om op 28 december definitief in Nederland terug te keren.

 

Voor zijn verdiensten krijgt Tjeu in 1950 het “kruis voor orde en vrede” uitgereikt.

 

Als militair werkt Tjeu vervolgens op de luchtmachtbasis Volkel en daarna op de basis in Budel. Na zijn pensioen is hij nog actief als administrateur bij het Groene Kruis in Weert.

Marianne: “Het hele huis stomd vol bloemen, dat kan ik me nog herinneren, zo blij was pa dat we er weer waren (1947). Gladiolen waren het. Mooi vond ik ze niet en nu nog niet.”

Met veel dank aan Marianne Strato-Peeters


[1] Het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) was het Nederlandse koloniale leger. Het heeft officieel bestaan van 1830 tot 1950. In tegenstelling tot de Koninklijke Landmacht die onder het Ministerie van Oorlog viel, ressorteerde het Nederlands-Indische leger onder het ministerie van Koloniën en bestond het leger uitsluitend uit beroepsmilitairen (of militairen uit het Nederlandse leger, die voor een bepaalde periode bij het leger gedetacheerd waren).

[2] De benaming jappenkamp is de gebruikelijke Nederlandse benaming voor Japanse interneringskampen, dat wil zeggen plaatsen waar burgers of krijgsgevangen militairen gedurende de Japanse bezetting van Nederlands-Indië (1942-1945) gedwongen waren te blijven op last en onder toezicht van het Japanse gezag. Nederlanders werden namelijk door de Japanse bezetter, als staatsburgers van landen waarmee Japan direct in oorlog was, beschouwd als ‘vijandelijke buitenlanders’.

[3] Ambarawa was vroeger een plaatsje, vlak bij het (fort) Willem I, gelegen op ongeveer 50 km ten zuiden van Semarang; dit fort was een groot legerkamp van het KNIL. Tijdens de Tweede Wereldoorlog lagen bij Ambarawa twee zogeheten Jappenkampen; Ambarawa VI en Ambarawa VII.

[4]Het miltair dossier spreekt zich hier tegen: de registratiekaart krijgsgevangenen geeft aan dat Tjeu werd aangetroffen in Changi jail op 5 september 1945 terwijl de stamkaart aangeeft  dat deze bevrijding op 15 augustus 1945 heeft plaatsgevonden.

[5] Loe de Jong is als oorlogskenner vooral bekend geworden door zijn uit 14 delen bestaande standaardwerk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog over Nederland en Nederlands-Indië in de Tweede Wereldoorlog, dat – op het laatste deel na – voor het grootste deel van zijn hand is. Hij was verder directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie van 1945 tot zijn pensionering.

[6] De politionele acties (ook wel politiële acties) zijn de offensieve operaties van de Nederlandse strijdkrachten in Indonesië kort na de Tweede Wereldoorlog. Deze operaties vonden plaats op de eilanden Java en Sumatra in de periode 21 juli tot 5 augustus 1947 (eerste actie) en 19 december 1948 tot 5 januari 1949 (tweede actie), en waren onderdeel van de militaire confrontatie tussen Nederland en de Republiek Indonesië, welke republiek na de Japanse capitulatie in augustus 1945 door de nationalistische leiders Soekarno en Hatta was uitgeroepen. Inzet van het conflict was de onafhankelijkheid van Indonesië, voordien de kolonie Nederlands-Indië. Daarom wordt dit conflict ook wel aangeduid als de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog (1945-1949)

 

<< terug